8.09.2015

Toerisme is iets moois

Mijn Column in Vakblad van de ANVR VIEW, zie http://goo.gl/hWMCMa



Toerisme is iets moois. Het is leuk, het ontspant, je ziet eens wat van de wereld en met een beetje geluk wordt je er bruin van. Vorige week voerde ik, nogal onverwachts, een gesprek met iemand die daar heel anders over dacht. Ik ontmoette haar in een overvolle trein toen ze vroeg of ze mocht zitten waar ik mijn tas had neergezet. 'Natuurlijk', zei ik, en ik ging verder in mijn boek. 'Ik heb het helemaal gehad met die toeristen!', zei ze tegen niemand in het bijzonder. 'O?' vroeg ik. 'Amsterdam is Amsterdam niet meer,' klaagde ze. 'Het is een pretpark geworden voor blowers, bierfietsers, hoerengapers en kunstverslaafden die in alsmaar langer wordende rijen staan.'

 'Ach, kunst is toch mooi?' probeerde ik. 'Ja, maar niet als de zogenaamde kunstliefhebbers de godganse dag in een rij voor mijn huis staan, terwijl ik er nauwelijks nog in of uit kan.' Ik probeerde een grapje te maken door te zeggen dat ze mooi ijsjes kon verkopen, nog wel voor haar eigen deur. Maar dat viel verkeerd. 'Kijk', zei ze, 'dat zegt dus iedereen. Goed voor de economie! Ammehoela!' Ze was duidelijk boos, ik moest oppassen met wat ik verder zou zeggen. 'Wat mensen niet beseffen is dat de hele stad naar de klote gaat'. Het was even stil. 'Sorry', zei ze. 'Het is niet tegen u hoor.' Ik bedacht net op tijd dat ik nu maar niet moest gaan zeggen dat ik net had genoten van de Late Rembrandt en dat ik best wel lang in de rij had gestaan. In plaats daarvan zei ik dat ik naar een congres was geweest, wat ook wel zo was, maar daarna wilde ik toch nog even bij Rembrandt langs. Ik loog dus maar half. 'Och', zei ze met zelfverwijt in haar stem, 'ik lijk wel een oud wijf' - ze was beslist geen oud wijf - 'ik klink als mijn oma.' 'Maar je kunt toch niet verwachten dat Amsterdam hetzelfde blijft als in de tijd van jouw oma?', vroeg ik. 'Nee, dat snap ik ook wel, maar het is alsof die toeristen iets van me wegnemen.' 'Wat dan?', vroeg ik, en ik voelde dat het wel eens een heel lang gesprek zou kunnen gaan worden. Ze dacht even na en zei toen: 'mijn thuis'. 'Maar thuis ontvang je toch ook gasten?' 'Ja', zei ze, ‘maar nooit zoveel dat ze er eigenlijk niet meer in kunnen.' We zwegen even. 'Ach', zei ik, 'in elk geval ben je nu even niet in Amsterdam. Kun je weer even ademhalen.' Nu keek ze blij. 'Ja, zei ze, heerlijk, ik ga er even uit. Met twee vriendinnen. Naar Giethoorn. Het schijnt daar zo mooi te zijn.'