4.28.2011

Gastvrijheid in een geglobaliseerde wereld


Aan de vooravond van het moderne Europa zoals wij het kennen, beschrijft de filosoof Immanuel Kant wat gastvrijheid betekent. Ik vertaal het vrij: “Gastvrijheid is het recht van de vreemdeling om niet vijandelijk te worden ontvangen in het land van de ander. Het is niet het recht om er permanent te verblijven, maar een bezoekersrecht, dat alle mensen toekomt, het recht om gezelschap aan te bieden; dit op grond van het recht van het gemeenschappelijke bezit van de oppervlakte van de aardbol, een oppervlakte die niet oneindig is. En dit betekent dat we elkaar moeten zullen dulden.” In zijn tijd - we spreken hier over eind achttiende eeuw - is het moment al niet meer ver weg dat elk plekje aarde in bezit is van iemand. We zouden ons naar aanleiding van Kants citaat kunnen afvragen of we dan niet beter over ‘gastvrijheid’ kunnen spreken in plaats van over ‘ethiek’. De socioloog Zygmunt Bauman oppert deze these en de recentelijk overleden filosoof Jacques Derrida stelt zelfs dat ethiek gastvrijheid is.
 Wij eenentwintigste-eeuwers leven in deze geglobaliseerde wereld. Globalisering duidt precies op het bewustzijn dat we allen, vriend en vijand, op deze bol leven. Wij leven in deze wereld waarin ethiek betekent dat we de vreemdeling ontvangen in het huis (of land) dat ons toebehoort. Gastvrijheid impliceert dus bezit aan de kant van de gastheer. Zonder bezit, een huis, een bed of een maaltijd, is gastvrijheid onmogelijk. Wij, Europeanen van vandaag, worden dagelijks geconfronteerd met het bestaan van een aanzienlijk deel van de wereldbevolking dat is aangewezen op onze gastvrijheid. De rol van Europa is in dit perspectief cruciaal. De wereldbol werd vanuit Europa gekoloniseerd en tot bezit verklaard. Deze geschiedenis is onomkeerbaar, maar de grondhouding die het Europa van vandaag, precies vanwege het voormalig bezit, kan innemen is die van gastvrijheid.
 Gastvrijheid is niet mogelijk zonder bezit. Europa is vandaag de dag vooral een werelddeel dat onlosmakelijk verbonden is met haar kolonisatiegeschiedenis. Naar het voorbeeld van Alexander de Grote en van de Christelijke missie bezette het de wereld. Maar het zag zichzelf in de loop van de twintigste eeuw steeds meer tegenover het geweld van dekolonisatie geplaatst: nagenoeg alle kolonieën rukten zich in de naoorlogse periode met geweld los van hun koloniserende geweldenaars. Het geweld waarmee de dekolonisatie gepaard ging was inherent aan het geweld van de kolonisatie zelf. Jean-Paul Sartre beschreef het geweld van de dekolonisatie, zoals dat van Algerije dat zich van Frankrijk losmaakte, als een boemerang die op de kolonisators terugkwam. Het mag dan lijken dat kolonisatie in de klassieke betekenis van het woord verdwenen is, de koloniserende handelsgeest van de Europeaan is dat niet: in de multinationals in het bedrijfsleven of het massatoerisme waart de geest van het kolonialisme. De legertenten en missieposten hebben plaats gemaakt voor de plants van multinationals en voor touristsresorts. Europa is te klein voor de Europeaan. De wereld is voorhanden. Gastvrijheid heeft met verovering te maken. Of is het precies het tegenovergestelde?
 Antwoord: beide. De etymologie van het Engelse woord hospitality (of het Franse hospitalité) verraadt onmiddellijk de dubbele connotatie die het woord met zich meebrengt. Het Engelse 'host' kent vanuit de Latijnse oorsprong dezelfde stam als het Engelse 'hostile'. Is het niet opmerkelijk dat gastvrijheid en vijandschap uit dezelfde stam geboren zijn? Een halve eeuw voor onze jaartelling verbaast Cicero zich over deze double bind: “Ik zie dat degene die we een vechtende vijand zouden noemen een ‘gast’ (hostis) heet. Het afschrikwekkende van de feiten wordt dus verzacht met deze uitdrukking. Voor onze voorvaderen betekende ‘vijand’ (hostis) wat we nu aanduiden als ‘vreemdeling’ ”, aldus de Romein in De Officiis (Over Plichten). Deze etymologie is veelbetekenend. De Latijnse term ‘hostis’ beslaat het gehele betekenisveld van ‘vijand’ en ‘vreemdeling’ tot aan ‘gast’. Vijandschap is dus beslist niet een gecorrumpeerde afgeleide van een vermeende oorspronkelijke openheid naar de ander. In Kant’s citaat zien we dit nog terug: de ander heeft het recht op een niet vijandige ontvangst. Maar dat impliceert dat er reden is om over vijandschap te spreken. En het is waar: de gast is precies niet mijn vriend. Hij is vreemdeling, de ander. Waar het om gaat, is dat de ander, ondanks zijn andersheid en ondanks het feit dat ik zijn taal niet versta en ik zijn gewoonten niet begrijp, erken als een volwaardig menselijk wezen en daarom respecteer. Dat we de vijand gastvrij ontvangen leert niet alleen het Nieuwe Testament (het opmerkelijke gebod uw vijanden lief te hebben) maar herkennen we in het moderne idee van krijgsgevangenschap, dat is gebaseerd op fundamentele rechten die vijanden als zijnde mensen hebben.
 Gastvrijheid is dus een gif en tegengif tegelijkertijd en dat heeft niets te maken met een corrumpering van een ‘oorspronkelijk zuivere gastvrijheid’ die overloopt van goedheid. De gastvrijheidsindustrie (hotels, toerisme etc.), waarin gastvrijheid sterk is vercommercialiseerd, is gebaseerd op het feit dat gastvrijheid van meet af aan economisch is: een gastvrijheidsrelatie is een ruilrelatie. De gast vraagt iets dat de gastheer kan geven. De gastheer heeft dat in zijn bezit. Economie is inherent aan gastvrijheid. Vanuit een zuivere reciprociteit (zoals die van de ‘volmaakte’ Aristotelische vriendschap) zou gastvrijheid onmogelijk blijven. Dat maakt onderzoek naar een bedrijfsethiek voor deze sector cruciaal. Hoe is een bedrijfsethiek mogelijk voor een vercommercialiseerde gastvrijheidssector?
 Voor Jacques Derrida, voor wie gastvrijheid een centraal thema in zijn latere werk is, is gastvrijheid de ethiek van de kosmopolitische samenleving. Naast de ethiek van gastvrijheid, die we op persoonlijk niveau kennen en die idealiter de grondslag zou zijn voor de moderne vercommercialiseerde gastvrijheid (al is dat lang niet altijd het geval), is er een fundamenteel recht op politieke gastvrijheid. De traditie gaat terug naar de villes-refuges van het oude Israel (beschreven door de Frans-joodse denker Emmanuel Levinas, niet toevallig de filosoof van ‘de ander’), waar bannelingen ondanks hun ballingschap hun toevlucht kunnen nemen. In de de context van het moderne post-kolonialistische Europa heet dit ‘vluchtelingenbeleid’ op basis van humaniteit. Maar hoe gastvrij is het huidige vluchtelingenbeleid? In navolging van Kant stellen denkers van onze tijd, zoals Derrida of Bauman, de vraag hoe Europa deze ethiek van gastvrijheid kan herwinnen. In plaats van de strategieën van de angst, zoals het neo-fascisme of zich op ‘identiteit’ blindstarende conservatisme en de toenemende drang om van Europa een veilig fort de maken, zou Europa de ultieme consequentie van de oude kolonisatie, te weten gastvrijheid, moeten cultiveren. Dat impliceert niet alleen een ander gedrag van multinationals of een andere houding van de toerist en de touroperator, het betekent ook een kritische reflectie op de economische immigrant (de voormalige ‘gastarbeider’) en een gastvrij beleid waarin het gaat om mensen die geen kant meer opkunnen, de vluchtelingen en asielzoekers die alleen al door hun bestaan een appel op Europa doen om de grenzen niet te sluiten maar te openen. En we weten dat onze gast heus niet onze vriend hoeft te zijn of te worden.

Ruud Welten

Artikel gepubliceerd in Dante Magazine (Magazine van de Tilburg School of Humanities) Voorjaar 2011, p. 13-15. Alle rechten voorbehouden.